werkkracht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: werkkracht (hulp, bestand)
- IPA: /ˈʋɛrkrɑxt/
Woordafbreking
- werk·kracht
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | werkkracht | werkkrachten |
| verkleinwoord | werkkrachtje | werkkrachtjes |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | werkkracht | - |
| verkleinwoord | - | - |
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
- een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
- Dat is duur omdat het veel werkkrachten vereist.
- het vermogen om te werken
- Dat apparaat heeft weinig werkkracht.
Synoniemen
Vertalingen
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
2. het vermogen om te werken