baan

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baan
enkelvoud meervoud
naamwoord baan banen
verkleinwoord baantje baantjes

Zelfstandig naamwoord

baan

  1. werk, benaming voor een afspraak waarbij een persoon werkt voor een andere persoon of bedrijf, voor een financiële vergoeding; ik heb sinds kort een baan bij dat bedrijf.
  2. route
  3. aangelegde route waarvan het begin en het einde met elkaar zijn verbonden voor snelheidssporten; bijv. schaatsbaan, wielerbaan; vervolgens ook voor andere sporten, bijv. tennisbaan.
  4. strook stof.
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • ruim baan maken
de ruimte geven

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
banen

baan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
    Ik baan me.
  2. gebiedende wijs van zich banen
    Baan je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
    Baan je je?


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

baan m

  1. (Hooglimburgs) weg, straat.
    «Gank mer waenger ge wagesbaan, den bös se kórter.»
    Ga maar via de auto(snel)weg, dat is korter.
  2. (Hooglimburgs) spoor, rails.
Opmerkingen
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief baan - baenke - baner* - baenkes -
genitief baans - baenkes - baner* - baenkes -
locatief banes - baneske - banese - baneskes -
datief bane - baenke - baner* - baenkes -
accusatief baan - baenke - baner* - baenkes -
  • De meervoudsvormen zijn slechts theoretisch, omdat dit woord slechts in samenstelling gebruikt wordt waar het meervoud door het eerste deel wordt bepaald (eine spaorbaan, twieë späörbaan). Echter is er voor de locatief een uitzondering (eines spaorbanes, twieës spaorbanese).
Persoonlijke instellingen