baan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- baan
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | baan | banen |
| verkleinwoord | baantje | baantjes |
Zelfstandig naamwoord
baan v
- (beroep) het werk, een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer
- Ik heb sinds kort een baan bij dat bedrijf.
- (verkeer) een verkeersweg of weggedeelte, voor rijverkeer of voor het opstijgen en landen van vlieg- en ruimtevaartuigen
- Die weg bestaat uit vier rijbanen, een fietspad, twee ventwegen en twee voetgangerspaden.
- (natuurkunde) het traject van een projectiel of hemellichaam
- De sonde draait nu in een baan om de zon.
- (sport) een voor sportwedstrijden geschikt gemaakt, langwerpig en vlak terrein, een rechte of rondgaande weg, of een deel van een vaar- of zwemwater
- De Duitse roeiers in baan drie hebben een duidelijke voorsprong.
- strook materiaal als (behang-)papier, vloerbedekking, (textiel-)stof,
- Een vlag met drie gekleurde banen.
- (techniek) het rechthoekige bovenblad van een aambeeld
- In de baan van het aambeeld zit een vierkant gat waarin hulpstukken kunnen worden geplaatst.
- (militair) een terrein voor het houden van schietoefeningen
- Vandaag hebben we de hele dag dienst op de schietbaan.
Synoniemen
- [1] arbeidsplaats, arbeidsovereenkomst, dienstverband, betrekking, aanstelling, positie, post, ambt, functie
- [2] rijstrook, weghelft
- [3] vlucht, kringloop
- [4] wegparcours, omloop, circuit
- [5] strook, reep, band
Antoniemen
- [1] werkloosheid
- [2] ongebaand, zandpad, woestenij, jungle
Afgeleide begrippen
- [1] loopbaan, banenplan, baanverlies, vakantiebaantje, deeltijdbaan, bijbaan
- [2] autobaan, linkerrijbaan, spoorbaan, landingsbaan
- [3] kogelbaan, aardbaan, satellietbaan, ecliptica
- [4] baanrecord, atletiekbaan, sintelbaan, ijsbaan, kaatsbaan, kegelbaan, maliebaan, racebaan, renbaan, wedstrijdbaan, schaatsbaan, tennisbaan, wielerbaan, zwembaan
- [7] schietbaan
Verwante begrippen
- [1] arbeidsovereenkomst, werkgelegenheid, werkkring, tewerkstelling, werkgever, werknemer, vak, beroep, functie, carrière
- [2] verkeer, vrachtvervoer
- [3] parabool, ellips
- [4] sportveld, sportterrein, sportstadion, zwembad
- [7] oefenterrein, doel, kogelvanger
Uitdrukkingen en gezegden
- ruim baan maken
de ruimte geven
- iets op de lange baan schuiven
stilletjes van plan zijn iets niet af te handelen
- iets van de baan schuiven
iets niet door laten gaan
- iets in goede banen leiden
dreigende problemen voorkomen door goede begeleiding
Vertalingen
1. het werk
2. verkeersweg
3. traject van een projectiel/hemellichaam
4. sportterrein
7. schietterrein
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Frase
flexibele baan
- een baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een variabele aantal uren per week
Antoniemen
- reguliere baan
Vertalingen
1. flexibele baan
|
Frase
reguliere baan
- een baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een vast aantal uren per week
Antoniemen
- flexibele baan
Vertalingen
1. reguliere baan
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| banen |
baan
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
- Ik baan me.
- gebiedende wijs van zich banen
- Baan je!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
- Baan je je?
Limburgs
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
baan m
- (Hooglimburgs) weg, straat.
- «Gank mer waenger ge wagesbaan, den bös se kórter.»
- Ga maar via de auto(snel)weg, dat is korter.
- «Gank mer waenger ge wagesbaan, den bös se kórter.»
- (Hooglimburgs) spoor, rails.
Opmerkingen
- In de losse vorm komt dit woord vrijwel niet (meer) voor. Het is alleen nog te vinden in combinaties zoals wagesbaan, spaorsbaan, iezerbaan en stejsbaan.
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| geheel | gemuteerd | verkleind | gemuteerd verkleind | geheel | gemuteerd | verkleind | gemuteerd verkleind | |
| nominatief | baan | - | baenke | - | baner* | - | baenkes | - |
| genitief | baans | - | baenkes | - | baner* | - | baenkes | - |
| locatief | banes | - | baneske | - | banese | - | baneskes | - |
| datief | bane | - | baenke | - | baner* | - | baenkes | - |
| accusatief | baan | - | baenke | - | baner* | - | baenkes | - |
- De meervoudsvormen zijn slechts theoretisch, omdat dit woord slechts in samenstelling gebruikt wordt waar het meervoud door het eerste deel wordt bepaald (eine spaorbaan, twieë späörbaan). Echter is er voor de locatief een uitzondering (eines spaorbanes, twieës spaorbanese).
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Verkeer in het Nederlands
- Natuurkunde in het Nederlands
- Sport in het Nederlands
- Techniek in het Nederlands
- Militair in het Nederlands
- Frase in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Limburgs
- Zelfstandig naamwoord in het Limburgs
- Hooglimburgs