zijne
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Woordafbreking
- zij·ne
Bezittelijk voornaamwoord
zijne
- zelfstandige vorm van zijn, derde persoon enkelvoud mannelijk
- Is dit kopje nu het zijne of is het het jouwe?
- (verouderd) verbogen vorm van zijn
- Zijne Majesteit komt op bezoek.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zijne | zijnen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot hem behoort
- Deze man is een van de zijnen.
Opmerkingen
- Grammaticaal zijn bovenstaande vormen ook geldig voor het onzijdig, maar zij worden vrijwel alleen voor mannelijke personen gebruikt.