zijn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zijn
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zijn
/zɛin/
was
/ʋɑs/
geweest
/ɣə'ʋest/
onregelmatig volledig

Werkwoord

zijn

  1. (ergatief): bestaan:
    Er is leven na de dood.
    Zij is niet meer.
  2. (ergatief): zich bevinden
    We waren in Portugal.
  3. (koppelwerkwoord): gelijk zijn aan:
    Johan is onze voorzitter.
  4. (koppelwerkwoord): tot de groep behoren van
    De leeuw is een dier.
  5. (koppelwerkwoord): de eigenschap hebben:
    Hij is nieuwsgierig.
  6. ~ te drukt een verplichting uit
    Dat is te verwaarlozen.
  7. ~ te drukt een mogelijkheid uit
    Er waren stemmen te horen van achter het muurtje.
  8. (hulpwerkwoord): ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van een ergatief werkwoord
    Komt hij nog? Hij is al gekomen.
  9. (hulpwerkwoord): ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    Zij was zo vreselijk geslagen dat het bloed van haar lijf droop.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-

Bezittelijk voornaamwoord

zijn

  1. derde persoon enkelvoud, mannelijk of onzijdig
    Hij liet zijn hondje uit.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zijn o

  1. het bestaan
Vertalingen