zijn
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zijn
Woordherkomst en -opbouw
- De vormen van het werkwoord zijn op drie verschillende wortels in het Indo-Europees terug te voeren.
- De vormen "is", "zij" en "zijn" gaat terug op Indo-Europees *h₁es- ('zijn'). (Vgl. Engels: is, am, Perzisch: است, Russisch: есть.
- De vormen "ben", "bent" komen van Indo-Europees *bʰuh₂- ('worden'). (Vgl. Engels: to be, Perzisch: بودن, Russisch:быть)
- De vormen "wezen", "was", "waren", "wees", "geweest" komen van Indo-Europees *wes- dat 'verblijven' betekende. (Vgl. Engels: was, were.)
- Het voornaamwoord komt van Germaans *sīnaz, Indo-Europees *seino-
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zijn /zɛin/ |
was /ʋɑs/ |
geweest /ɣə'ʋest/ |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
zijn
- (ergatief): bestaan:.
- (ergatief): zich bevinden.
- We waren in Portugal.
- (koppelwerkwoord): gelijk zijn aan:.
- Johan is onze voorzitter.
- (koppelwerkwoord): tot de groep behoren van.
- De leeuw is een dier.
- (koppelwerkwoord): de eigenschap hebben:.
- Hij is nieuwsgierig.
- ~ te drukt een verplichting uit
- Dat is te verwaarlozen.
- ~ te drukt een mogelijkheid uit
- Er waren stemmen te horen van achter het muurtje
- (hulpwerkwoord): ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van een ergatief werkwoord.
- Komt hij nog? Hij is al gekomen.
- (hulpwerkwoord): ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm.
- Zij was zo vreselijk geslagen dat het bloed van haar lijf droop.
Vertalingen
1. bestaan
|
2. zich bevinden.
|
3. gelijk zijn aan.
|
4. tot de groep behoren van
|
5. de eigenschap hebben.
|
|
8. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
|
|
9. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
|
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Bezittelijk voornaamwoord
zijn
- derde persoon enkelvoud, mannelijk of onzijdig.
- Hij liet zijn hondje uit.
gibt es ...?)