mijzelf
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Persoonlijk voornaamwoord
mijzelf
- eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij.
- Dat raakte mijzelf niet.
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| verplicht | keuze | verplicht | keuze | |
| 1e persoon | mij me |
mijzelf mezelf |
ons | onszelf |
| 2e persoon (informeel) |
je | jezelf | je | jezelf |
| 2e persoon (formeel) |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
| 2e persoon (regionaal) |
u | uzelf | u | uzelf |
| 3e persoon |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
Wederkerend voornaamwoord
mijzelf
- eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij.
- Ik heb mijzelf eens flink verwend.
Opmerkingen
- Deze vorm kan alleen gebruikt worden als de reflexiviteit optioneel is, dat wil zeggen dat het werkwoord zowel wederkerend als niet-wederkerend gebruikt kan worden.