Naar inhoud springen

afzetten

Uit WikiWoordenboek
  • af·zet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzetten
zette af
afgezet
zwak -t volledig

afzetten

  1. overgankelijk, (medisch): het verwijderen van een deel van een lichaamsdeel
    • Dat been moest afgezet worden. 
  2. overgankelijk, (economie): erin slagen producten verkocht te krijgen
    • Er werd veel in Duitsland afgezet. 
  3. overgankelijk iemand te veel laten betalen voor iets
    • We zijn echt afgezet door de straatverkoper. 
  4. overgankelijk, (dierkunde): het leggen van eieren door vijv. vissen
    • Na een ingewikkeld paairitueel werden de eitjes op de waterplanten afgezet en door het mannetje bevrucht. 
  5. overgankelijk iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappen
    • Kan ik je daar op de hoek afzetten? 
     In tegenstelling tot het gros van de passagiers lieten zij zich niet voor de ingang van het Las Vegas afzetten.[1]
     Op dit tijdstip is de centrale laan zo goed als verlaten: weg zijn de drommen die heen en weer slenteren, leeg zijn de terrassen, of althans bijna leeg, taxi's rijden af en aan naar Bab Bhar waar ze schaduwen afzetten en oppikken, hier en daar klinken sirenes, het knipperende bord van de snackbar lokt een eenzame enkeling die nog wel trek heeft, o nee, toch niet, hij loopt door, waarheen weet hij nog niet precies.[2]
  6. overgankelijk, (geologie): het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaan
    • Deze laag is in het lias afgezet. 
  7. overgankelijk de zoom of rand van een kledingstuk versieren
    • De mouwen waren afgezet met kant. 
  8. overgankelijk apparatuur uitschakelen
    • Voor we weggaan wil ik nog even het koffiezetapparaat afzetten. 
  9. overgankelijk uit een hoog ambt verwijderen
    • De corrupte president werd afgezet. 
  10. overgankelijk een weg voor alle verkeer blokkeren, een gebied ontoegankelijk maken voor onbevoegden
    • Vanwege werkzaamheden is de rechter baan van de A10 afgezet. 
    • De politie heeft de plaats van de misdaad afgezet 
  11. overgankelijk iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemen
    • Hij heeft het masker afgezet. 
  12. wederkerend zich ~: veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegen
    • Hij zette zich niet voldoende sterk af en daarom mislukte de sprong. 
     Precies zoals ik het ooit leerde tijdens schoolzwemmen, samen met Lot. Zij had het eindeloos met me geoefend tot ik eindelijk de slag te pakken had. Uitdrijven, muur aantikken, omdraaien, afzetten.[3]
  13. wederkerend overdrachtelijk: zich ~ tegen: zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand anders
    • Hij zet zich erg af tegen zijn ouders. 
  14. wederkerend overdrachtelijk: van zich ~: gedachten uit het hoofd zetten
    • Zij zette de gedachten over haar nieuwe vriend even van zich af. 
  • een hoed afzetten
vervoeging van
afzetten

afzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afzetten
    • ...dat wij afzetten. 
    • ...dat jullie afzetten. 
    • ...dat zij afzetten. 

deafzettenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afzet
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  2. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be