klemzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klemzetten
zette klem
klemgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

klemzetten

  1. (ook (figuurlijk)) iemand dusdanig benaderen dat hij geen kant meer op kan
  2. (verkeer) met een wielklem bereiken dat een voertuig onbeweeglijk wordt
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
klemzetten

klemzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van klemzetten
    • ...dat wij klemzetten. 
    • ...dat jullie klemzetten. 
    • ...dat zij klemzetten. 

Gangbaarheid