inzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
inzetten inzettend
inzet ingezet
- inzetbaar


Woordafbreking
  • in·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inzetten
zette in
ingezet
zwak -t volledig

Werkwoord

inzetten

  1. overgankelijk (spel) iets van waarde aan het risico van het spel onderwerpen
    • Hij zette zijn laatste fiches in. 
  2. overgankelijk beschikbare hulpmiddelen voor een bepaald doel gebruiken
    • Het leger werd ingezet bij die natuurramp. 
  3. overgankelijk iets in een kledingstuk vastmaken
    • Ik heb die rits nog niet ingezet. 
  4. overgankelijk iets vastzetten in een sierraad
    • Die ring is ingezet met een prachtige diamant. 
  5. wederkerend zich ~ voor bereidheid tonen voor een bepaald doel moeite te doen
    • Hij zette zich in voor het natuurbehoud. 
  6. ergatief een begin maken
    • Net nadat de winter was ingezet, begon Napoleon met honderdduizend man de desastreuze aftocht. 

Werkwoord

vervoeging van
inzetten

inzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van inzetten
    • ...dat wij inzetten. 
    • ...dat jullie inzetten. 
    • ...dat zij inzetten. 

Zelfstandig naamwoord

inzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord inzet

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.