opzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Opzetten [4] in 1978

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opzetten


zette op


opgezet


zwak -t volledig

Werkwoord

opzetten

  1. (ergatief) in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
    Na die bijensteek zette zijn hand flink op.
  2. (overgankelijk) op het vuur zetten
    Heb je de aardappels al opgezet?
  3. (overgankelijk) beginnen lawaai te maken
    Hij zette een keel op alsof hij vermoord werd.
  4. (overgankelijk) taxidermie bedrijven
    De door hem gevangen veelvraat werd kundig opgezet.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

opzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord opzet

Werkwoord

vervoeging van
opzetten

opzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van opzetten
    ...dat wij opzetten.
    ...dat jullie opzetten.
    ...dat zij opzetten.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl