zet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zet zetten
verkleinwoord zetje zetjes

Zelfstandig naamwoord

zet m

  1. een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stoot
    • Ik hem hem een zet gegeven. 
  2. (spel) een handeling gedurende een spelbeurt
    • Bij schaken heeft wit de eerste zet. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
zetten

zet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zetten
  2. gebiedende wijs van zetten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen