ontzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
ontzetten ontzettend
ontzet ontzet
ontzetting


Woordafbreking
  • ont·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontzetten
ontzette
ontzet
zwak -t volledig

Werkwoord

ontzetten

  1. (overgankelijk) (militair) het opheffen van een belegering
    Zij wisten de stad eindelijk te ontzetten.
  2. hevig doen schrikken
  3. de genoemde waardigheid, functie etc. ontnemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ontzetten

ontzetten

  1. meervoud verleden tijd van ontzetten
    Wij ontzetten.
    Jullie ontzetten.
    Zij ontzetten.