zetsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zetsel zetsels
verkleinwoord zetseltje zetseltjes

Zelfstandig naamwoord

zetsel o [1]

  1. tot woorden en regels gezette letters
    • Om het zetsel bij elkaar te houden, windt de zetter er een paar keer een touwtje om. 
  2. aftreksel, extract
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.

Verwijzingen