bezetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezetten


bezette


bezet


zwak -t volledig

Werkwoord

bezetten

  1. (overgankelijk) in gebruik nemen
    De stoel is bezet door die meneer.
  2. (overgankelijk), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigen
    In 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezetten

bezetten

  1. meervoud verleden tijd van bezetten
    Wij bezetten.
    Jullie bezetten.
    Zij bezetten.