uitzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitzetten
zette uit
uitgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

uitzetten

  1. ergatief (natuurkunde) in volume toenemen
    • Bij verhitting zetten de meeste materialen uit. 
  2. overgankelijk iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
    • Hij werd zonder pardon de zaal uitgezet. 
  3. overgankelijk het uitschakelen van een elektrisch toestel
    • Ik heb het theelichtje uitgezet. 
  4. bedenken en plannen van een actie
    • Maar er lagen nogal wat versperringen en tijdens het rennen had hij naar rechts moeten uitwijken. In het begin had hij de lijn gevolgd die door de luitenant was uitgezet, maar met die fluitende kogels en granaten ga je uiteraard zigzaggen. [1] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzet

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 19