uitzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitzetten
zette uit
uitgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

uitzetten

  1. ergatief (natuurkunde) in volume toenemen
    • Bij verhitting zetten de meeste materialen uit. 
  2. overgankelijk iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
    • Hij werd zonder pardon de zaal uitgezet. 
  3. overgankelijk het uitschakelen van een elektrisch toestel
    • Ik heb het theelichtje uitgezet. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzet

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.