mettre
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mettre |
mettais |
mis |
| derde groep | volledig | |
mettre
- overgankelijk leggen
- overgankelijk plaatsen
- overgankelijk zetten
- overgankelijk (kleding) aandoen [1], aantrekken [4] (v. kleding, schoenen e.d.)
- overgankelijk klaarmaken, gereedmaken (bijv. van dingen in het huishouden)
- «Mettre la table.»
- De tafel dekken.
- «Mettre la table.»
- overgankelijk aanzetten [7], in werking stellen (v. apparaten)
- overgankelijk teweegbrengen, veroorzaken
- overgankelijk (informeel) klappen uitdelen aan, slaan
- overgankelijk (informeel) kloppen, verslaan