team

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord van het Engelse team.
enkelvoud meervoud
naamwoord team teams
verkleinwoord teampje teampjes

Zelfstandig naamwoord

team o

  1. (sport) een ploeg van bij elkaar horende spelers
    • In welk team zit jij? Ik zit in de C2. 
  2. een groep samenwerkende mensen
    • Op ons werk vormen wij een echt team. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • team
enkelvoud meervoud
team teams

Zelfstandig naamwoord

team

  1. team


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • team
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Engelse naamwoord team.

Zelfstandig naamwoord

team o

  1. team
    «Institusjonen er inndelt i 4 team; miljøteam, utrederteam, pedagogteam og familie- og oppfølgingsteam.»
    De instelling is onderverdeeld in vier teams: het (jeugd-)scèneteam, het pedagogenteam, het onderwijsteam en het familie- en begeleidingsteam.
  2. spreker, woordvoerder
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   team     teamet     team     teama,
teamene  
genitief   teams     teamets     teams     teamas,
teamenes  
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • team
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Engelse naamwoord team.

Zelfstandig naamwoord

team o

  1. team
Verbuiging
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   team     teamet     team     teama  
genitief                
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief               teami  
genitief                
Synoniemen
Afgeleide begrippen