lag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lag

Werkwoord

vervoeging van
liggen

lag

  1. enkelvoud verleden tijd van liggen
    • Ik lag. 
    • Jij lag. 
    • Hij, zij, het lag. 
     Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.[1]
Gelijkklinkende woorden

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
lag
gelag
volledig

Werkwoord

lag

  1. lachen
    «Ek het baie gelag
    Ik heb erg gelachen.


Engels

enkelvoud meervoud
lag lags

Zelfstandig naamwoord

lag

  1. achterstand
Afgeleide begrippen