lag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lag

Werkwoord

vervoeging van
liggen

lag

  1. enkelvoud verleden tijd van liggen
    • Ik lag. 
    • Jij lag. 
    • Hij, zij, het lag. 
Gelijkklinkende woorden

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
lag
gelag
volledig

Werkwoord

lag

  1. lachen
    «Ek het baie gelag
    Ik heb erg gelachen.


Engels

enkelvoud meervoud
lag lags

Zelfstandig naamwoord

lag

  1. achterstand
Afgeleide begrippen