teamgeest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team·geest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamgeest
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teamgeest m

  1. enthousiasme om samen te werken binnen een groep
    • Bij informatiebijeenkomsten met (nieuwe) werknemers praat men liever - en bovenal - over het idealisme van de oprichters. Wat ze eraan overhielden is een taboe-onderwerp. Toch heeft dit niet kunnen voorkomen dat je ook binnen het bedrijf mensen kunt vinden die de oprichters vooral zien als uitgekookte veelverdieners. Die mensen zullen er echter voor waken dat rond te toeteren. Zulke openhartigheid wordt op de werkvloer niet geapprecieerd. Het ondermijnt de solidariteit en teamgeest die bij de loterij de norm zijn. [2] 
    • Partners en geliefden waren niet welkom op het partijfeest: het ging tenslotte ook om de teamgeest. Dat vond Evelien een goed idee. Met wederhelften erbij kon je nooit precies uitvogelen wat je aan elkaar had. Dan werd het een toneelstuk en speelde vrijwel iedereen de rol van ideale partner. [3] 
    • Waar het dit seizoen ook eindigt voor Eibergen, Oude Veldhuis wil vooral blijven hameren op discipline en teamgeest. "Daar was hier de laatste jaren nogal eens een tekort aan. Ja, natuurlijk hoor ik ook nog steeds de geluiden dat Eibergen, een club met meer dan 1.000 leden, minimaal in de derde klasse thuishoort. Daar ben ik het ook zeker niet mee oneens, maar alles op z'n tijd.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Holtwijk, Ineke De mannen van de droomfabriek [2015] ISBN 978-94-6003201-1 pagina 219
  3. Levander, Anna Morten De Morten Trilogie deel 1 [2014] ISBN 9789021455891 pagina 273
  4. Tubantia Jochem Vreeman 28-NOVEMBER-2017