teamspeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team·spe·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamspeler teamspelers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teamspeler m

  1. iemand die goed is in samenwerken binnen een groep van mensen
    • Duitse politici zijn teamspelers die zich laten voorstaan op hun verantwoordelijkheidsbesef. [1] 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Joris Luyendijk 15 november 2016