teamleider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team·lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamleider teamleiders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teamleider

  1. (beroep) iemand die leiding geeft aan een groep werkers
    • De teamleider moet de opdrachten van zijn baas uitvoeren en rekening houden met alle wensen en eisen van zijn teamleden. 
    • Volgens Rudy hebben teamleiders in grote organisaties - naast het reguliere werk - last van veranderagenda’s met soms tientallen, vaak strijdige initiatieven. Het stomme is: juist het teveel aan plannen zorgt dat ze mislukken. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Ben Tiggelaar 4 november 2016