teamgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

twee teamgenoten
Uitspraak
Woordafbreking
  • team·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamgenoot teamgenoten
verkleinwoord teamgenootje teamgenootjes

Zelfstandig naamwoord

teamgenoot m

  1. personen die in hetzelfde team samenwerken of sporten
    • De enige man in de groep springt naar voren. Hij kwam tot nieuwe inzichten door een gedachte aan zijn wekelijkse voetbaltraining. „Als ik een bal verkeerd schiet, hoor ik dat nog drie keer van mijn teamgenoten”, vertelt hij in de kring. „Eigenlijk is hun negatieve oordeel de enige reden dat ik baal van zo’n bal.” „Heel goed”, zegt Van der Drift. „Het is vaak de omgeving die jou vertelt dat iets fout is, waardoor je het gaat geloven.” [1] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Doortje Smithuijsen 3 januari 2017