teamlid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamlid teamleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teamlid o

  1. iemand die behoort tot een groep van mensen die samenwerken om een bepaalde taak te verrichten
    • De één handelt facturen af van landgenoten die in het buitenland in nood zijn geraakt. Een ander vult vakken in een supermarkt, terwijl weer een ander teamlid als welzijnswerker streeft naar gezonde voeding in sportkantines. Wat deze vrouwen bindt? Voetbal. Allen maken ze deel uit van het Nederlands team dat op zaterdag 6 juni voor het eerst in de historie deelneemt aan het WK vrouwenvoetbal, in Canada. [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Fabian van der Poll 23 mei 2015