rolstoelbasketbalteam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rol·stoel·bas·ket·bal·team
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rolstoelbasketbalteam rolstoelbasketbalteams
verkleinwoord rolstoelbasketbalteampje rolstoelbasketbalteampjes

Zelfstandig naamwoord

rolstoelbasketbalteam o

  1. groep sporters die samen spelen tegen een ander team in een rolstoelbasketbalwedstrijd
    • Piet was de aavoerder van het rolstoelbasketbalteam. 
    • Een rolstoelbasketbalteam bestaat uit maximaal 12 sporters waarvan er 5 tegelijk in het veld zijn. 

Gangbaarheid