tand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand
enkelvoud meervoud
naamwoord tand tanden
verkleinwoord tandje tandjes

Zelfstandig naamwoord

tand m

  1. (anatomie) een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten
  2. (techniek) een meestal scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zagen of tandwielen)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tanden

tand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    Ik tand.
  2. gebiedende wijs van tanden
    Tand!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    Tand je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand

Zelfstandig naamwoord

tand g

  1. tand
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tand     tanden     tänder     tänderna  
genitief   tand     tanden     tänder     tänderna