tand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘uitsteeksel in kaak om mee te bijten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tand tanden
verkleinwoord tandje tandjes

Zelfstandig naamwoord

tand m

  1. (anatomie) een harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van eten
    • Heb jij gaatjes in je tanden? 
    • Ik had geen tand meer in mijn mond. 
  2. (techniek) een meestal scherp uitsteeksel aan bepaalde voorwerpen, zoals zagen of tandwielen
    • De tanden van een zaag. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tanden

tand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    • Ik tand. 
  2. gebiedende wijs van tanden
    • Tand! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    • Tand je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand

Zelfstandig naamwoord

tand g

  1. tand
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tand     tanden     tänder     tänderna  
genitief   tand     tanden     tänder     tänderna