mond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. De menselijke mond.
Uitspraak
Woordafbreking
  • mond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mond monden
verkleinwoord mondje mondjes

Zelfstandig naamwoord

mond m

  1. (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal, hoofdzakelijk gezegd van dit orgaan bij mensen; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt
    • Voedsel dat we eten, gaat via de mond en de slokdarm naar de maag. 
  2. (figuurlijk) opening of ingang van iets
    • De mond van het kanon was met een extra band rondom verstevigd. 
  3. (figuurlijk) overgang waar een kleiner water in een groter water uitstroomt
    • Ze liepen langs de kust tot ze bij de mond van een rivier kwamen. 
Synoniemen
Meroniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
  • [1] waar het hart van vol is, loopt de mond van over
    men spreekt graag over iets waar men veel aan denkt (Matth. 12:34)
  • [1] de ogen zijn groter dan de mond
    gezegd als iemand meer probeert te eten dan hij op kan
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord mond monde

Zelfstandig naamwoord

mond

  1. mond


Hongaars

Werkwoord

mond

  1. zeggen