tandwiel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand·wiel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tandwiel tandwielen
verkleinwoord tandwieltje tandwieltjes

Zelfstandig naamwoord

tandwiel o

  1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
    Dit mechaniek bestaat uit een aantal tandwielen.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie