Naar inhoud springen

tandarts

Uit WikiWoordenboek
Een tandarts uit Turkije aan het werk in Afghanistan (2010)
  • tand·arts
enkelvoud meervoud
naamwoord tandarts tandartsen
verkleinwoord tandartsje tandartsjes

detandartsm

  1. (beroep) (tandheelkunde) medisch specialist met universitair diploma op het gebied van de tandheelkunde
    • Mijn echtgenoot is tandarts en heeft een eigen praktijk. 
    • ‘Het is vervelend, maar ik ben goddank helemaal niet bang voor de tandarts. Ik ben dolgelukkig met die lui. Man! Die pijn wíl ik verdragen. Stel dat er géén tandartsen zouden zijn, dát zou pas erg zijn.’ [2] 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Volkskrant Nathalie Huigsloot25 januari 2019 Interview Jan Mulder
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

tandarts

  1. (beroep)(tandheelkunde) tandarts

tandarts

  1. (beroep)(tandheelkunde) tandarts