Naar inhoud springen

tanden

Uit WikiWoordenboek
  • tan·den
  • afgeleid van tand met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tanden
tandde
getand
zwak -d volledig

tanden [1] [2] [3]

  1. overgankelijk van tanden voorzien
  2. overgankelijk (een zaag) scherpen

detandenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tand
     ' Dan moet hij onverwachts lachen, en worden zijn tanden weer volledig zichtbaar, alsof ze zeggen willen: hallo, hier zijn we weer! Als vanzelf lach ik met hem mee.[4]
     Nog voordat ik mijn tanden erin zet, loopt het water me al in de mond.[4]
     Gek, in mijn herinnering had hij veel grotere tanden, maar eigenlijk heeft hij een heel normaal gebit.[4]
  • Met lange tanden eten.
geen honger hebben, ziek zijn
  • Tot de tanden gewapend zijn.
extreem bewapend zijn
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]