watertanden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·tan·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
watertanden
watertandde
gewatertand
zwak -d volledig

Werkwoord

watertanden

  1. inergatief met grote trek naar iets (eetbaars) uitzien, het water in de mond krijgen.
    • Ze watertandden toen de heerlijke geur uit de keuken hun neusgaten bereikte. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.