tandpasta

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand·pas·ta
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tandpasta tandpasta's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tandpasta m

  1. een poetsmiddel voor de tanden
    • Doe je voor het poetsen wel tandpasta op je borstel? 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • tand·pas·ta
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tandpasta g

  1. tandpasta