Naar inhoud springen

tandeloos

Uit WikiWoordenboek
  • tan·de·loos
  • afgeleid van tand met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen tandeloostandelozertandeloost
verbogen tandelozetandelozeretandelooste
partitief tandeloostandelozers-

tandeloos

  1. zonder tanden
    • De luiaard is een tandloos zoogdier. 
  2. (figuurlijk) machteloos
    • Die organisatie is niets meer dan een tandeloze praatclub. 
87 %van de Nederlanders;
75 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be