natuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Natuur.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·tuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord natuur -
verkleinwoord - -
enkelvoud meervoud
naamwoord natuur naturen
verkleinwoord
Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Latijn (natura), het deelwoord van de toekomende tijd van nasci, hetgeen zoveel betekent als "dat wat geboren zal worden", oftewel "tot leven zal komen".

Zelfstandig naamwoord

natuur v

  1. de oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; derhalve min of meer synoniem aan "schepping" of "wildernis". Dit staat dan tegenover cultuur, technologie, beschaving: hetgeen duidt op alles, wat de mens tot op heden aan die schepping veranderd heeft; oftewel: de door de mens gecreëerde of gewijzigde vormen
  2. Datgene, wat de mens als natuur ziet, dus ook al is het door hemzelf als zodanig ingericht. Oftewel de oorspronkelijke wildernis en elke natuurgetrouwe nabootsing hiervan. Derhalve ook bijvoorbeeld bossen die, ookal lijken ze op de oorspronkelijke oerbossen, in werkelijkheid zijn aangelegd. Zie ook natuurbescherming, waar gesproken wordt over landschappen
  3. de natuur, zoals die bestudeerd en beschreven wordt door de natuurwetenschappen zoals de natuurkunde en de biologie, te vergelijken met het begrip heelal, universum of kosmos, meestal beschouwd als gezien vanuit het standpunt van een mens op de Aarde
  4. de aard van iets of iemand; het karakter of de essentie
  5. (verouderd) (seksualiteit) teelvocht; mannelijk zaad en geslachtsorgaan
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl