natuurvoeding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·tuur·voe·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord natuurvoeding natuurvoedingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

natuurvoeding v

  1. (voeding) voedsel dat op natuurlijke wijze, zonder chemische bestrijdingsmiddelen, zonder kunstmest, en zonder genetisch gemodificeerde organismen geteeld wordt en waarbij extra aandacht is voor het dierenwelzijn
    • Een van de pioniers op het vlak van natuurvoeding was Lima, een familiebedrijf uit Sint-Amandsberg dat in 1957 werd opgestart vanuit macrobiotische overwegingen, en producten als tahin en miso op de Belgische markt introduceerde. Eind jaren tachtig gingen ze al aan de slag met quinoa, het nu zo populaire pseudograan, en het was ook bij Lima dat de eerste rijstwafel werd geproduceerd. ‘Producten die lang een ver-van-mijn-bedshow waren voor de gewone Vlaming’, herinnert José zich. Tot de voedselschandalen begonnen. ‘De dioxinecrisis in 1999 riep veel vragen op over de link tussen voeding en gezondheid.’ [1] 
    • Het kindje kreeg ooit wel borstvoeding en klassieke flesvoeding, maar toen dat om onbekende reden niet langer lukte, probeerden de ouders in kwestie - twee flexitariërs die een zaak in natuurvoeding hebben- allerlei alternatieve papjes uit. Vier maanden lang gaven ze hun zoontje alleen nog maar graanmelk, rijstmelk, havermelk, quinoamelk en boekweitmelk. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. de Standaard DINSDAG 18 JULI 2017
  2. Tubantia Annick Grobben en Nele Dooms 16-05-2017