natuurlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·tuur·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen natuurlijk natuurlijker natuurlijkst
verbogen natuurlijke natuurlijkere natuurlijkste
partitief natuurlijks natuurlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

natuurlijk

  1. uit de natuur afkomstig
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

natuurlijk

  1. vanzelfsprekend.
     En wat deden de andere Pieten in die drie dagen? Natuurlijk, ze maakten een nieuwe rode mantel voor Sinterklaas.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. natuurlijk op website: Etymologiebank.nl
  2. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 13