natuurkracht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·tuur·kracht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord natuurkracht natuurkrachten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

natuurkracht v/m [1]

  1. een buiten de mens om werkende kracht
    • „Onze parkiet was de avond tevoren niet rustig te krijgen. Het schijnt dat dieren aardbevingen voelen aankomen.” Misschien was dat bij Thei Boonen uit Herkenbosch ook wel een beetje het geval. „Ik sliep in die nacht van 12 op 13 april 1992 heel onrustig. Rond kwart over drie ging ik naar het toilet. Toen ik weer in bed wilde gaan liggen, begon het gedonder. Alsof er een tank door de straat reed. Alles trilde. Ik zei dat het een aardbeving was. Mijn vrouw verklaarde me voor gek. Toch hebben we de kinderen, toen 11 en 9 jaar, uit bed gehaald om te vluchten. Op het moment dat we de trap af renden, scheurden de muren. Als dat soort natuurkrachten vrijkomen, voel je je héél klein. Gelukkig zijn we heelhuids buiten gekomen.”[2]  
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Paul van der Steen 12 april 2017