natuurgenot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·tuur·ge·not
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord natuurgenot -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

natuurgenot o

  1. het plezier dat een verblijf in de vrije natuur verschaft

Gangbaarheid