koning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘regerend vorst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord koning koningen
verkleinwoord koninkje koninkjes

Zelfstandig naamwoord

koning m

  1. (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
     Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren![2]
  2. een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
  3. (schaak) het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt
  4. iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Men probeert altijd zo goed mogelijk aan de wensen van de klant te voldoen
  • De koning te rijk zijn
Het heel goed hebben/heel blij zijn
  • In het land der blinden is eenoog koning.
Iemand met geringe kennis of maar weinig vaardigheden, munt toch uit in een gezelschap van personen die nog minder weten of nog minder vaardigheid hebben
  • Leven als een koning
Veel geld uitgeven
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ning

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord koning konings

koning

  1. (regering)(adel) koning
  2. (kaartspel) koning
  3. (schaak) koning, heer