koning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘regerend vorst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord koning koningen
verkleinwoord koninkje koninkjes

Zelfstandig naamwoord

koning m

  1. (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
  3. (schaak) het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt
  4. iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord koning konings

Zelfstandig naamwoord

koning

  1. koning