regeerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·geer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regeerder regeerders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regeerder m [1]

  1. heerser
    • Als nationale zakjapanner zong CPB-baas Coen Teulings een ander liedje. Hij deed zijn mond niet open toen de woningmarkt werd vernield door overhaaste besluiten van kortzichtige regeerders. Die dachten met beperking van de hypotheekrenteaftrek de gaten in de begroting wel te kunnen dichten. [2] 
    • Als een kudde dolle olifanten dendert een groep adolescente regeerders door de porseleinkast van de zorg voor ouderen. De één na de andere verworvenheid wordt verkracht of om zeep geholpen. [3] 
    • Buiten hadden enkele tientallen betogers hebben zich verzameld om tegen de als autoritair regeerder bekend staande Poetin te betogen. [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen