vorst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vorst
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord vorst vorsten
verkleinwoord vorstje vorstjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord vorst
verkleinwoord vorstje

Zelfstandig naamwoord

vorst v/m

  1. (adel) heersend edelman, bijvoorbeeld een koning, monarch of keizer [1]
    De vorst werd tot aftreden gedwongen.
  2. (meteorologie) weersomstandigheden waarbij water in ijs verandert [2]
    Er wordt tien graden vorst voorspeld.
  3. (bouwkunde) nok van een dak, bovenste rij pannen van een dak [3]
  4. bos, woud [4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
vorsen

vorst

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    Jij vorst.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
    Hij vorst.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van vorsen
    Vorst!