regering

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ge·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regering regeringen
verkleinwoord regerinkje regerinkjes

Zelfstandig naamwoord

regering v

  1. (regering) een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
    • De regering van België heeft het zwaar te verduren gekregen met de economische crisis van het afgelopen jaar. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • militaire regering
een regering, die gevormd is door hohe militairen, een junta
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelnedederduitse zelfstandige naamwoord regéringe, verwant met het Duitse zelfstandige naamwoord Regierung
  • Zweeds zelfstandig naamwoord met het achtervoegsel -ing
Naar frequentie 3377
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regering     regeringen     regeringar     regeringarna  
genitief   regerings     regeringens     regeringars     regeringarnas  

Zelfstandig naamwoord

regering, g

  1. (regering) kabinet, regering
    «Regeringen måste ta första steget.»
    De regering moet de eerste stap zetten.
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (Zweeds)