koningshuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·nings·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koningshuis koningshuizen
verkleinwoord koningshuisje koningshuisjes

Zelfstandig naamwoord

koningshuis o

  1. (adel) de directe familie van de koning of de koningin
    • Niet iedereen die familie is van de koning behoort tot het koningshuis. 
Synoniemen
  1. dynastie

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·nings·huis

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord koningshuis koningshuise

koningshuis

  1. (adel) koningshuis