kommen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·men

Zelfstandig naamwoord

kommen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kom

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelhoogduits en Oudhoogduits
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kommen
/ ˈkɔmən /
kam
/ kaːm /
gekommen
/ ɡəˈkɔmən /
Klasse 4 sterk volledig

Werkwoord

kommen

  1. onovergankelijk komen
    «Er kam gegen zwei Uhr.»
    Hij kwam rond twee uur 's middags.
  2. onovergankelijk in bezit von iets of iemand komen
Typische woordcombinaties
  • [2]: in den Besitz einer solch reizenden jungen Frau zu kommen
in het bezit van zo'n mooie jonge vrouw te komen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

kommen

  1. meervoud van komme

Werkwoord

kommen

  1. komen


Stellingwerfs

Werkwoord

kommen

  1. komen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

kommen

  1. meervoud van komme