kommen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·men

Zelfstandig naamwoord

kommen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kom


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelhoogduits en Oudhoogduits
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kommen
/ ˈkɔmən /
kam
/ kaːm /
gekommen
/ ɡəˈkɔmən /
volledig

Werkwoord

kommen

  1. (onovergankelijk) komen
    «Er kam gegen zwei Uhr.»
    Hij kwam rond twee uur 's middags.
  2. (onovergankelijk) in bezit von iets of iemand komen
Typische woordcombinaties
  • [2]: in den Besitz einer solch reizenden jungen Frau zu kommen
in het bezit van zo'n mooie jonge vrouw te komen