kei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: kei-

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kei
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘rolsteen’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kei keien
verkleinwoord keitje keitjes

Zelfstandig naamwoord

kei m

  1. brok gesteente
    • Er spatte een keitje op en de voorruit barstte uiteen in gruzelementen. 
  2. (figuurlijk) iets wat in enig opzicht door en door hard of massief is
    1. (informeel) iemand die bijzondere prestaties levert
      • Hij is daar echt een kei in. 
    2. (sport) (verouderd) (voetbal) zeer krachtig schot
      • Zijn kei ging centimeters naast. [3]
    3. (jongerentaal) als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op de keien zetten
[1]: in armoede dakloos achterlaten
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Cornisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Cognaat met het Welsh ci en het Bretonse ki.
enkelvoud meervoud
  kei     keun  

Zelfstandig naamwoord

kei m

  1. (zoogdieren) hond
Synoniemen