kammen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·men
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van kam met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kammen
kamde
gekamd
zwak -d volledig

Werkwoord

kammen

  1. overgankelijk met een kam haar in orde brengen
    • Zij is bezig haar haar te kammen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kammen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kam

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie