steek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[3] Napoleon met steek.


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • steek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord steek steken
verkleinwoord steekje steekjes

Zelfstandig naamwoord

steek m

  1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    • De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen. 
  2. een langdurige scherpe pijn
    • Hij kreeg ineens een steek in de zij. 
  3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
  4. een bepaald soort hoofddeksel
  5. in de ~ laten: iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen
    • Hitler kende geen zelfkritiek. Hij weet dus alle schuld voor zijn falen aan zijn generaals die hem "verraden" hadden en ook aan het Duitse volk dat hem in de steek liet en dat daarom in Hitlers ogen in zijn historische missie had gefaald. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
relevant zijn, van toepassing zijn
  • De beste breister laat wel eens een steek vallen.
ook diegene die het kundigst is maakt fouten
  • Een zondagse steek houdt geen week.
er rust geen zegen op het werk dat iemand op zondag doet
  • Geen steek doen
niets uitvoeren/doen
  • Geen steek houden
niet relevant zijn, niet van toepassing zijn
  • Iemand een steek onder water geven
tegen iemand lelijke dingen zeggen op een bedekte/verborgen wijze
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
steken

steek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
    • Ik steek. 
  2. gebiedende wijs van steken
    • Steek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
    • Steek je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl