mandaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·daat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mandaat mandaten
verkleinwoord mandaatje mandaatjes

Zelfstandig naamwoord

mandaat o

  1. (tijdelijke) volmacht, machtiging
  2. opdracht krachtens welke men een functie vervult
  3. bevelschrift
  4. pauselijke verordening
    mandaat bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen