mandaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·daat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mandaat mandaten
verkleinwoord mandaatje mandaatjes

Zelfstandig naamwoord

mandaat o [3]

  1. (tijdelijke) volmacht, machtiging
  2. opdracht krachtens welke men een functie vervult
  3. bevelschrift
  4. pauselijke verordening
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen