roepen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schreeuwen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roepen
/'ru.pə(n)/
riep
/rip/
geroepen
/ɣə.'ru.pə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

roepen

  1. overgankelijk met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
    • "Weg met de dictator!" werd er geroepen door de demonstranten. 
  2. overgankelijk luidruchtig, duidelijk beweren
     Om toch alle 4.286 kilometers te lopen, liep ik later een aantal extra zijtochten om alsnog die verloren kilometers in te halen. Vaak werd er geroepen dat je op de PCT vooral je eigen ding moest doen, hike your own hike zoals ze dat zo mooi zeggen in Amerika.[2]
  3. overgankelijk (figuurlijk) uitnodigen
     Maar de bergen roepen mij al mijn hele leven.[2]
     Waar wacht je nog op? De trail roept.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op het matje roepen
iemand ter verantwoording bij zich roepen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

roepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord roep

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen