Naar inhoud springen

professie

Uit WikiWoordenboek
[2] broeder Hugo doet zijn eeuwige professie
  • pro·fes·sie
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beroep’ voor het eerst aangetroffen in 1575 [1] [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord professie professies
verkleinwoord

deprofessiev

  1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
    • Seize the day, hoorde ik twee weken geleden nog twee tv-topdokters voorschrijven, ik vermoed als antwoord op de vraag wat hun professie hen had bijgebracht over het mensenleven zoals het maar is. [4] 
    • Maar eenmaal als zanger op het podium, ontdekte Sutherland een even verrassende als logische overeenkomst met zijn professie. ,,Als acteur vind ik het vooral leuk om onderdeel uit te maken van een collectief en samen een goed verhaal te vertellen. [5] 
    • Het verzamelen begint meestal als een onschuldige hobby of een toevalsaankoop: men stuit bijvoorbeeld op zijn of haar favoriete boeken uit de kindertijd. Daarna verplaatst de belangstelling zich naar eerste drukken, boeken van Nobelprijswinnaars, boeken met bijzondere tekeningen of met inscripties van auteurs - totdat de hobby uitgroeit van een passie tot een obsessie of professie. [6] 
     Zoals dit boek aantoont, zien we regels, stadions (of afgebakende ruimtes voor sportbeoefening), specifieke sportuitrustingen, toeschouwerscultuur en sport als professie al terug in de vroegmoderne tijd en daarvoor.[7]
  2. (religie) gelofte van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid door een kloosterling
95 %van de Nederlanders;
82 %van de Vlamingen.[8]