ambtenaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amb·te·naar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambtenaar ambtenaars
ambtenaren
verkleinwoord ambtenaartje ambtenaartjes

Zelfstandig naamwoord

ambtenaar m

  1. (beroep) een mannelijk persoon die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
    • Er is morgen een vergadering van alle ambtenaren. 
     Maar de politici of ambtenaren, of allebei aangezien ze toch een en dezelfde waren, verzekerden dat deze huurregeling, die vorig jaar was ingevoerd, een tijdelijke maatregel was om de problemen van de gewone mensen in de crisistijd waarin ze nu leefden tegen te gaan.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. ambtenaar op website: Etymologiebank.nl
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be