beroepshof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roeps·hof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beroepshof beroepshoven
verkleinwoord beroepshofje beroepshofjes

Zelfstandig naamwoord

beroepshof o

  1. (juridisch) hof van beroep

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.